1e Medisch Leefstijlcongres in Vlaanderen.
Van artsen, voor artsen
15 maart 2025
Wintercircus Gent
Een antwoord op de meest gestelde vragen tijdens het congres.
De vele vragen die via de interactieve tool binnenstroomden, bevestigden de betrokkenheid van het publiek.
We verzamelden hieronder de meest populaire vragen, mét de antwoorden van onze sprekers. Van praktische tips tot inhoudelijke verdieping.
Heb je na het lezen nog vragen of suggesties?
We volgen het graag met je op.
Q&A.
Dr. Kathleen Van Aken: Leefstijl als medicijn, van reactieve naar proactieve geneeskunde
Chronische ziekte concentreert zich in sociaal-economisch kwetsbare groepen. Is het dan niet te simplistisch om te stellen dat deze mensen “gezonder moeten leven”, terwijl dat niet altijd haalbaar is?
Absoluut. Sociaal kwetsbare groepen zijn het moeilijkst te bereiken wanneer het gaat over preventie en de vroegtijdige aanpak van chronische aandoeningen. Dat heeft veel te maken met het feit dat preventieve maatregelen momenteel vaak ‘out of pocket’ betaald moeten worden. Net daarom is het cruciaal dat er een breed gedragen beleid komt waarin vroegtijdige detectie van chronische aandoeningen, leefstijlinterventies en preventie structureel worden verankerd in onze samenleving. Dit vereist een maatschappelijke aanpak op verschillende niveaus.
Zelfs binnen sociaal sterkere groepen volstaan generieke slogans zoals ‘gezonde voeding’ of ‘meer bewegen’ vaak niet, zolang de maatschappij deze boodschappen niet structureel ondersteunt en faciliteert. Een geloofwaardig en breed gedragen overheidskader is noodzakelijk om deze preventieve adviezen ook effectief toepasbaar en haalbaar te maken.
Bestaat het risico dat lifestyle medicine nooit echt van de grond zal komen, zolang de farmaceutische industrie grof geld blijft verdienen aan de gevolgen van een ongezonde levensstijl?
Is dat echter een reden om de inspanningen te staken? Integendeel. De maatschappelijke winst van een gezondere bevolking moet veel nadrukkelijker worden gekwantificeerd en gecommuniceerd richting beleidsmakers. Enkel zo kan er een onderbouwde en overtuigende argumentatie ontstaan voor structurele veranderingen binnen het gezondheidsbeleid.
Be the change you want to see...
Toegegeven, er is een fundamentele paradigmaverschuiving nodig in de benadering van volksgezondheid. Een shift die niet alleen op beleidsniveau, maar breed maatschappelijk gedragen moet worden om werkelijk impact te hebben. Ergens moet het beginnen. Andere landen tonen aan dat het kan: zij staan vandaag al verder in de integratie van leefstijlgeneeskunde binnen het bredere zorgsysteem en leveren daarmee het bewijs dat verandering mogelijk is.
Kan de overheid geen grotere rol spelen in het terugdringen van de invloed van zwaargewichten in de voedingsindustrie? En hoe ver staan andere landen op het vlak van dergelijke preventieve maatregelen?
Zonder twijfel: de overheid móét hierin een grotere rol opnemen. Het gaat immers om het uittekenen van een brede beleidsvisie rond volksgezondheid. In andere landen zien we zeer uiteenlopende en vaak moeilijk vergelijkbare ontwikkelingen. De beleidsprioriteiten verschillen sterk en zijn vaak afgestemd op specifieke regionale noden en epidemiologische realiteiten.
Toch ligt er ook een duidelijke verantwoordelijkheid bij instellingen zoals de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) of op zijn minst op Europees niveau. Zij kunnen landen adviseren, succesvolle modellen en ‘best practices’ verzamelen en deze beschikbaar stellen voor implementatie elders. Tot op vandaag gebeurt dit echter slechts op beperkte schaal, terwijl net daar een belangrijke hefboom ligt voor meer coherente en doeltreffende preventiestrategieën.
Prof. Dr. Hanno Pijl: Zijn incretine analogen de heilige graal in de aanpak van obesitas
Zijn er leefstijlinterventies (zoals beweging of specifieke voeding) die de endogene GLP-1-secretie kunnen beïnvloeden?
GLP-1 wordt geproduceerd door intestinale endocriene L-cellen, die vanaf het proximale jejunum verspreid zijn over vrijwel het volledige maag-darmkanaal. De secretie ervan wordt in het bijzonder gestimuleerd door voedingsvezels en eiwitten.
Daarnaast suggereren enkele studies dat fysieke activiteit mogelijk ook een stimulerend effect heeft op de GLP-1-productie. De evidentie hiervoor is echter nog beperkt en niet consistent over de verschillende onderzoeken heen.
Hoe schat u het spiermassaverlies in bij het gebruik van GLP-1-agonisten? Is dit verlies groter dan bij gewichtsreductie via beweging of voeding?
Bij behandeling met incretine-analogen, zoals GLP-1-agonisten, treedt er inderdaad ook verlies van spierweefsel op. Dat is een belangrijk aandachtspunt van zorg. Om spiermassaverlies tegen te gaan, blijft aandacht voor eiwitrijke voeding en regelmatige fysieke activiteit essentieel, ook wanneer medicamenteuze therapie wordt ingezet.
Het gewichtsverlies dat optreedt onder invloed van incretine-analogen is voornamelijk het gevolg van calorische restrictie. Op basis van de huidige inzichten lijkt het verlies aan spiermassa bij GLP-1-agonisten niet groter dan bij gewichtsverlies uitsluitend via voedingsinterventie. Wel is het duidelijk dat het spiermassaverlies beduidend groter is dan bij gewichtsverlies dat hoofdzakelijk via intensieve fysieke activiteit wordt bereikt. In dat laatste geval verwacht je juist toename van spierweefsel natuurlijk, die toename is ook voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de gewichtsreductie door fysieke activiteit. Het is echter veel lastiger om met fysieke activiteit substantieel gewicht te verliezen dan met dieetaanpassing.
Kunnen we genetische predispositie voor obesitas testen?
De genetische aanleg voor obesitas is in principe meetbaar. Er zijn inmiddels bijna 1000 geïdentificeerde single nucleotide polymorfismen (SNP’s) die geassocieerd zijn met lichaamsgewicht. Elk van deze genetische varianten draagt een pietsje bij aan het totale risico op overgewicht. Het is dus lastig om obesitas accuraat te voorspellen op basis van genetische profielen alleen.
“De hypothalamus is ontstoken” – maar hoe werd deze stelling wetenschappelijk onderbouwd?
Folick A. et al. Metabolic factors in the regulation of hypothalamic innate immune responses in obesity. Experimental and Molecular Medicine, 2022; 54:393–402.
Prof. Carlos Van Mieghem: De epidemie van sarcopenie
Wanneer begint de opleiding leefstijlgeneeskunde onder de Belgian College of Lifestyle Medicine
De opleiding zal van start gaan in 2026. Dit wordt een online cursus met doorlooptijd van 6 maanden.
Zou het interessant zijn om bij oudere mannen een kleine dosis testosterone bij te geven om sarcopenie tegen te gaan?
Ik ben absoluut voorstander om bij aangetoonde testosterondeficiëntie testosteronesubstitutie aan te bieden! Er zijn ondertussen voldoende data beschikbaar.
Adviseert u bij leefstijlgeneeskunde standaard een DEXA-scan?
Jazeker! Het is de beste tool om het inwendige milieu weer te geven. In de meeste gevallen adviseren we om deze jaarlijks uit te voeren.
Is sarcopenie omkeerbaar op latere leeftijd?
Jazeker!
Is er bij sarcopenie plaats voor het gebruik van anabolica, bijvoorbeeld bij ondervoeding?
Vermoedelijk wel. Het is zeker het overwegen waard gedurende 6 maanden.
Prof. Evelien Van Roie: De cruciale rol van lichaamsbeweging bij sarcopenie
Praktisch gezien: hoe krachttraining starten bij oudere patiënten met artrose of gewrichtsontstekingen?
Krachttraining heeft positieve effecten op pijn en functie, de algemene richtlijnen blijven gelden. Heel intense trainingen worden best gemeden in periodes van acute opflakkeringen, maar het blijft belangrijk om gewrichten te bewegen over volledige ROM. Geleidelijk aan opbouwen: er kan bijvoorbeeld gestart worden met isometrisch te trainen, bij overgang dynamisch vooral focus op excentrisch trainen, opletten met plyometrische impactoefeningen. ‘Start low & go slow’. Alles is patiënt afhankelijk: hoe gevorderd is de artrose, wat is het niveau?
Sommige patiënten hebben veel bewegingsangst omdat ze steeds gehoord hebben dat hun gewrichten versleten zijn. Wanneer ze na een training meer pijn ervaren, haken ze af. Correct informeren van de patiënt (en ‘graded exposure’) zijn zeer belangrijk. Door te trainen, stimuleren we opbouwprocessen in de spieren die de gewrichten kunnen gaan beschermen. Bijvoorbeeld quadriceps als schokdemper bij de loading respons van de knie.
Bijkomende suggesties:
- Oefenen op momenten van de dag waar de pijn minder is of pijnmedicatie goed plannen. Trainingsdosis aanpassen als pijn in het gewricht enkele uren na training nog steeds hoger is.
- Eventueel: blood flow restriction training toepassen (contra-indicaties bekijken), dit maakt dat je met lagere load en minder herhalingen gelijkaardige effecten kan bekomen als via klassieke training aan hoge load.
Patiënten met osteoporose zijn soms bang om krachttraining te starten of hebben het advies gekregen dit niet te doen. Welk trainingsschema dan aanbevelen?
Precies bij osteoporose is krachttraining van cruciaal belang. De trekkrachten op het bot kunnen de botdichtheid versterken (aanbevolen wordt te werken met hoge loads, ca. 80% van 1-RM), en krachttraining verlaagt ook het valrisico – en dus indirect het risico op fracturen.
Wel is inzicht vereist in de belasting van specifieke botstructuren tijdens bepaalde oefeningen. Zo vermijden we bijvoorbeeld rompflexiebewegingen bij wervelindeukingsfracturen. Oefeningen worden idealiter steeds onder supervisie uitgevoerd om valrisico’s te minimaliseren.
Bij ernstige sarcopenie of gevorderde osteoporose vermijden we in de beginfase best grote impacten en hoge trekkrachten (dus hoge loads), al blijft het opbouwen richting die intensiteit wél het uiteindelijke doel. Fitnesstoestellen vormen hierbij vaak een veiligere keuze dan vrije gewichten.
Krachttraining bij gewichtsverlies en/of gebruik van GLP-1-agonisten?
Bij gewichtsreductie bij personen met overgewicht – al dan niet in combinatie met medicatie – moet het energieverbruik groter zijn dan de energie-inname. Dit wordt in de praktijk gerealiseerd via een combinatie van verminderde energie-inname (voeding – dit heeft de grootste impact) en verhoogd energieverbruik.
Aerobe training (matig tot intens) is essentieel om het energieverbruik te verhogen, met daarnaast uiteraard bijkomende cardiovasculaire en metabole gezondheidsvoordelen.
Krachttraining leidt op zich niet tot significante gewichtsreductie (het energieverbruik is relatief beperkt in vergelijking met aerobe training), maar blijft wél absoluut noodzakelijk om te integreren – zeker bij oudere personen. Gewichtsverlies, al dan niet versneld door medicatie, houdt steeds het risico in van verlies aan spiermassa. Dit risico is groter bij ouderen, die reeds onderhevig zijn aan de leeftijdsgerelateerde spiermassadaling (sarcopenie).
Om dat verlies te counteren, is krachttraining met focus op hypertrofie aangewezen: voldoende hoge intensiteit en trainen tot spiervermoeidheid. Tegelijk blijft een adequate eiwitinname via de voeding essentieel (cf. keynote Dr. Troch).
Op langere termijn is een hogere spiermassa bovendien geassocieerd met een verhoogd basaal metabolisme, wat het behoud van het bereikte gewicht ondersteunt en verdere afname kan faciliteren.
Als sarcopenie als vitale parameter frequent gemeten moet worden kan dit toch niet altijd via DEXA-scan wegens kost en straling, zijn er al alternatieven?
De gouden standaard is inderdaad DEXA-scan. Momenteel wordt dat nog niet standaard geïntegreerd als diagnosestelling. De laatste jaren is spierkracht en spierfunctie ook meer op de voorgrond gekomen, gezien het grotere belang ervan in het dagelijks leven, de grotere daling in spierkracht t.o.v. spiermassa. In de meest recente Europese Consensus richtlijnen rond diagnostiek sarcopenie wordt aangeraden om een snelle screening te doen via SARC-F vragenlijst. Indien positief, dan wordt er aangeraden om een meting te doen van spierkracht (via handknijpkracht of via chair stand test). Indien daar zwak gescoord wordt, is het eigenlijk al voldoende aanleiding om een interventie te starten (sarcopenie ‘waarschijnlijk’). Je kan nog de diagnose ‘bevestigen’ via DEXA of BIA als alternatief (accuraatheid BIA wel onvoldoende duidelijk), maar dat heeft weinig meerwaarde.
Het makkelijkst om te doen in de praktijk: 5x chair stand test timen (>15s is sarcopenie). Je kan via die 5x chair stand test ook powerproductie inschatten via eenvoudige formule, en daar zijn ook referentiewaarden van beschikbaar (https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/34216098/ , https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/34107507/ ).
Momenteel wordt er ook gewerkt aan de PowerFrail-app die op termijn zou moeten toelaten om de 5x chair stand test met de iPhone uit te voeren, waarna automatisch de tijd en powerproductie gemeten wordt. Dit is echter nog onder ontwikkeling.
Bij opbouw spiermassa wordt aangeraden snel oefeningen concentrisch te doen. Wat is de plaats van excentrische training binnen dit geheel?
De meeste krachtoefeningen bestaan uit een concentrisch en een excentrisch gedeelte. Wanneer we aan krachttraining doen, zal het dus bijna altijd een combinatie zijn van concentrisch en excentrisch spierwerk (net zoals dit het geval is bij dagdagelijkse activiteiten).
Qua uitvoeringswijze geeft men vaak de instructie om de concentrische beweging ‘vlot’ uit te voeren (of in een latere trainingsfase zelfs ‘zo snel mogelijk’), bij de excentrische beweging wordt gevraagd om de beweging af te remmen (en dus ook ‘trager’ uit te voeren). Excentrisch zijn we sterker dan concentrisch, we kunnen dus bijvoorbeeld in squat een hoger gewicht afremmen dan dat we kunnen wegduwen. Wanneer je de beweging excentrisch trager laat uitvoeren, dan vergt dat meer inspanning van de spier om af te remmen en levert dat betere effecten op. Het is bijvoorbeeld al aangetoond dat hypertrofie groter is wanneer er een excentrische component aanwezig is bij krachttraining in vergelijking met enkel concentrisch spierwerk (maar nogmaals, dat is doorgaans zo bij klassieke spierkrachtoefeningen, je kan wel meer of minder nadruk leggen op excentrisch spierwerk door de snelheid van uitvoering aan te passen of met één been af te remmen om het zwaarder te maken). Nadeel van excentrisch spierwerk is dat DOMS (delayed onset muscle soreness) groter is, al is dat ook wel een effect dat vermindert naarmate men meer gaat trainen (repeated bout effect).
Zuiver excentrisch trainen kan ook een aantal voordelen hebben, al is dat in de praktijk niet eenvoudig uitvoerbaar. Doordat je hogere krachten gaat genereren, ga je meer type II vezels aansturen en is de cardiovasculaire belasting minder groot. Dus bij cardiovasculaire risicopatiënten kan dit ook een meerwaarde zijn. Bijvoorbeeld excentrisch fietsen, is achteruit trappen waarbij je de fiets afremt, maar dergelijke fietsen zijn prijzig. Trappen afdalen of een helling afdalen zijn ook voorbeelden van excentrisch spierwerk. Cardiovasculair is dat minder belastend dan stijgen, maar op spierniveau toch een goede training.
Dr. Monique Troch: De 'nuts and bolts' van eiwitinname
Is creatine niet beter dan leucine? Leucine zorgt voor meer spieropbouw, maar ook veroudering? Creatine levert ook snellere inspanningen.
Creatine-monohydraat – de gouden standaard in supplementvorm – speelt een sleutelrol in de energievoorziening van spiercontracties. Talrijke studies tonen aan dat suppletie met creatine het prestatievermogen en spierhypertrofie significant kan verbeteren bij kortdurende, intense inspanningen zoals gewichtheffen, sprinten en explosieve bewegingen. Dit effect is hoofdzakelijk toe te schrijven aan een toename van de myofibrillaire dikte en waterretentie in de spiercellen.
Leucine is een essentieel aminozuur dat zowel als structurele bouwsteen én als signaalmolecule fungeert binnen het proces van spiereiwitsynthese.
Hoewel creatine en leucine beiden bijdragen aan spieropbouw, doen ze dat dus via verschillende routes:
-
Creatine versterkt het prestatievermogen en ondersteunt zo indirect spiergroei.
-
Leucine werkt rechtstreeks op de spiereiwitsynthese.
Vanuit het perspectief van gezond ouder worden zijn beide relevant. Eiwitten en specifieke aminozuren zoals leucine zijn essentieel voor het behoud van spiermassa en metabole functies. Creatine kan – dankzij de verbetering van spierkracht en functioneel vermogen – bijdragen aan een langere ‘health span’ en mogelijk leeftijdsgerelateerde achteruitgang afremmen.
Er is een duidelijke opmars van eiwitverrijkte voedingsmiddelen. Maar waarop moet worden gelet, en zijn er risico’s verbonden aan een (te) hoge eiwitinname?
Een tekort aan eiwitten vormt een bedreiging voor de gezondheid. Een optimale eiwitinname ondersteunt niet alleen de spiermassa, maar heeft ook gunstige metabole effecten, zoals een daling van levervet en een verbeterde glycemie. Momenteel is er géén evidentie voor nadelen van een eiwitrijk dieet bij personen met een normale nierfunctie.
Een veilige eiwitinname varieert afhankelijk van leeftijd en fysieke activiteit, en ligt tussen 0,8 en 3g/kg/dag. Die bovengrens geldt bijvoorbeeld voor bodybuilders of wielrenners in de Tour de France.
Begin 2024 suggereerde een studie een mogelijk verband tussen eiwitrijke voeding en atherosclerose, gebaseerd op activatie van macrofagen via leucine en mTOR. Deze cellen spelen een rol in plaquevorming. De conclusies van deze studie zijn echter gebaseerd op laboratoriumonderzoek bij transgene muizen, en zijn niet zomaar extrapoleerbaar naar de mens.
Bij afwezigheid van een onderliggende nierziekte heeft een eiwitrijk dieet geen negatief effect op de nierfunctie.
Effect op het bot? Een hogere eiwitinname verhoogt de calciumabsorptie uit voeding aanzienlijk. Een deel van deze calcium is mogelijk overbodig en wordt uitgescheiden via de urine. De verhoogde urinaire calciumuitscheiding is dus niet het gevolg van calciumafgifte uit het bot. Bovendien zijn botten opgebouwd uit een eiwitmatrix waarin mineralen worden afgezet; eiwitten zijn dan ook essentieel voor botsterkte en botherstel.
Maligniteiten? De hogere hoeveelheid aminozuren na een eiwitinname controleren via mTORC1 celgroei en metabolisme. Dit is een normaal fysiologisch proces met ingebouwde controlemechanismen. Er is geen bewijs voor een verband tussen eiwitrijke voeding en een verhoogd kankerrisico. Sterker nog: intensieve weerstandstraining – die eveneens mTORC1 activeert – wordt geassocieerd met een lagere incidentie en sterfte door kanker, wat aantoont dat mTORC1-activatie op zich géén verhoogd risico op maligniteit inhoudt.
De European Society for Clinical Nutrition and Metabolism geeft bovendien een sterke aanbeveling voor hogere eiwitinname bij kankerpatiënten, aangezien een goede spiermassa geassocieerd is met een betere overleving en levenskwaliteit.
Eiwitshakes en andere: meerwaarde boven natuurlijke bronnen? Hoe aanvullen bij onvoldoende intake?
Traditionele voeding – real food – vormt de basis voor de dagelijkse eiwitinname, bij voorkeur verdeeld over drie eetmomenten. Door uiteenlopende omstandigheden is dit echter niet altijd haalbaar, bijvoorbeeld bij periodiek of intermittent vasten*, gebrek aan kennis van voedingswaarden, tijdsdruk, verminderde eetlust, kauwproblemen of ziekte.
In dergelijke gevallen kunnen hoogwaardige eiwitbronnen zoals shakes, repen, eiwitrijke pannenkoeken of wafels een praktische oplossing bieden om toch 30 gram eiwit per moment in te nemen, met een voldoende hoeveelheid leucine.
Flatulentie en darmirritatie die bij verhoogde eiwitinname optreden, zijn meestal te wijten aan toegevoegde suikers en additieven. Kies daarom bij shakes steeds voor zuivere poedermixen, zonder toegevoegde suikers, zoetstoffen, kleur- of smaakstoffen.
Ook gluten- of lactose-intoleranties, of een verstoord darmmicrobioom, kunnen aan de basis liggen van spijsverteringsproblemen. Daarnaast kunnen bepaalde voedingsmiddelen zoals peulvruchten, koolsoorten en ui extra flatulentie veroorzaken. Een aangepaste bereidingswijze en grondig kauwen kunnen hierbij helpen.
* Uit studies blijkt dat intermittent vasten geen negatief effect heeft op spiereiwitsynthese, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
-
De aanbevolen dagelijkse eiwitinname evenredig spreiden over het 8-uurs eetvenster, of grotere hoeveelheden eiwit per maaltijd innemen – vooral 's avonds, ter voorbereiding op de daaropvolgende langere vastenperiode.
-
Minstens tweemaal per week weerstandstraining.
Opmerking: voor vrouwen is vanwege cyclusgebonden hormonale en metabole schommelingen een genuanceerd, individueel afgestemd vastenprotocol aanbevolen.
Klin. Biol. Wencel Top: Het darmmicrobioom, van wetenschappelijk onderzoek naar de praktijk
Gezonde leefstijl en gezond eten is altijd het advies. Waarom dan nog de Gut Check doen? Waarom alles testen als het resultaat toch een gezonde levensstijl is?
Dat klopt. Toch mag je de invloed van een meting op de motivatie van een individu niet onderschatten. In principe geldt hetzelfde voor bijvoorbeeld insuline resistentie en chronische inflammatie. Vaak beseffen mensen pas ten volle dat verandering nodig is wanneer ze de resultaten zwart op wit op papier zien.
Een darmmicrobioom is gezien de hoge kostprijs zeker niet voor iedereen. Het is vooral bedoeld voor mensen die oprecht in hun gezondheid geïnteresseerd zijn. Daarnaast kan de test ook zinvol zijn voor mensen met functionele darmklachten die via de conventionele benadering niet of onvoldoende geholpen zijn. De analyse kan in die gevallen toch oriënterend zijn voor een zinvolle interventie (bv. FODMAP inspanning).
In hoeverre is follow up van darmmicrobioom zinvol na gepaste interventies en na welke termijn?
De opvolging is in de eerste plaats klinisch. Toch zien sommige mensen graag de evolutie. In dat geval is het raadzaam om minstens 12 maanden te wachten alvorens de test te herhalen. De aanpassingen in een darmmicrobioom verlopen in de regel traag en ook enkel na een consequent volgehouden inspanning.
Kan je teveel aan probiotica nemen?
Dat kan, maar eventuele neveneffecten zullen pas optreden na excessieve dosering. Een klassieke dagelijkse dosis zal niet meteen tot problemen leiden.
Wij zijn voorstander om probiotica in kuren van bijvoorbeeld 3 maanden te gebruiken. Bovendien dient men zeker aandacht te hebben voor de inname van voldoende vezels uit de voeding. Bij een tekort aan vezels zal het eventuele gunstige effect van probiotica beperkt blijven.
Mogelijke neveneffecten bij excessief probiotica gebruik: gastro-intestinale last, infecties, malabsorptie, histaminerge reactie (in geval van Bifidobacteria) en zelfs (tijdelijke) dysbiose.
Is er ook bewijs dat interventies een invloed hebben op microbioom, en belangrijker, op de QoL? Is het mogelijk om je darmmicrobioom (enterotype) te wijzigen door oa. gezonde voeding, stressreductie? Of ligt dit vast van bij de geboorte?
Ja, we hebben data die aantonen dat een dysbiotisch microbioom zich na verloop van tijd kan herstellen mits een consequent volgehouden inspanning. Het gaat meestal niet om een disruptieve verandering in enterotype, maar eerder een verschuiving binnen hetzelfde enterotype spectrum naar een minder dysbiotische variant (bv. P2 naar P1, B2 naar B1 en F-Fp+ naar F-Fp+). Met uitzondering van het H-type (Proteobacteria-type) lijkt het enterotype op zich stabiel te zijn vanaf de leeftijd van ongeveer 3 jaar. Voor die leeftijd is het microbioomm eerder chaotisch opgebouwd en zijn grotere verschuivingen mogelijk afhankelijk van factoren zoals voeding, antibioticagebruik en hygiëne. Er ligt met zekerheid een opportuniteit om het microbioom vanaf de geboorte in gunstige zin te beïnvloeden. Er bestaat daarvoor een groeiende interesse vanuit pediatrische hoek.
Eenzelfde verschuiving naar minder klachten en een beter algemeen welzijn wordt geobserveerd in parallel met de verschuiving in enterotype. Het is evenwel onduidelijk of dit het gevolg is van een gezondere darm of door een ander effect als gevolg van een gezondere leefstijl (bv. gewichtsverlies).
Dr. Wout Vandervennet: De invloed van leefstijl bij de behandeling van pijn
Is de Curendis aanpak mogelijk bij FibroMyalgie?
Patiënten met fibromyalgie worden bij Curendis eerst door de pijnarts gezien.
Daarbij wordt een uitgebreide anamnese, klinisch onderzoek, een nieuw bloedlabo en eventueel bijkomende onderzoeken aangevraagd om fibromyalgie in kaart te brengen.
De behandeling bestaat uit een multidisciplinair traject waarbij zowel pijninterventie, manuele behandeling, revalidatie als levensstijl worden toegepast. De pijnarts kiest ook vaak voor ondersteunende atypische pijnmedicatie.
Qua pijninterventie zien we vaak goede resultaten met linisolinfuus. Dit is een combinatie van linisol en magnesium intraveneus. We doen een trial van drie infusen: op week 1, week 2 en week 4.
Na zes weken bekijken we de effectiviteit om te zien of deze infuustherapie de patiënt heeft geholpen.
De manuele behandeling heeft als doel om de flexibiliteit en de mobiliteit te verbeteren. Dit wordt gedaan door de chiropractoren.
Nadien is er altijd een revalidatietraject noodzakelijk, waarbij de focus ligt op het actief oefenen en versterken van stabiliteit en posturale spieren, alsook uithouding.
Daarnaast wordt de patiënt meestal ook gezien door de lifestyle arts, die ook preventieve geneeskunde zal toepassen om op lange termijn de klachten te dempen en onder controle te houden.
Is PRP nog nuttig bij vaak oudere patiënten met MSK-klachten?
De effectiviteit van PRP daalt in relatie tot de leeftijd, en dit heeft te maken met de verminderde activiteit van de plaatjes, de verminderde anabole effecten van de cytokines, alsook de verminderde belastbaarheid en degeneratie bij oudere patiënten.
Volgens de literatuur is er geen echte leeftijdsgrens, omdat het ook te maken heeft met de comorbiditeiten en de algemene biologische leeftijd van de patiënt, die toch vaak verschilt van de kalenderleeftijd.
Algemeen kunnen we stellen dat patiënten onder de 65 jaar goede kandidaten zijn voor PRP, mits er sprake is van een matig kraakbeenlijden en een matige inflammatoire musculoskeletale problematiek. De werking van PRP daalt bij patiënten ouder dan 65 jaar.
Dus patiëntselectie is heel belangrijk voor het opstarten van een PRP-traject. In de praktijk pas ik de leeftijd van gemiddeld 80 jaar toe.
Patiënten ouder dan 80 jaar hebben vaak minder goede respons met PRP.
Patiënten ouder dan 65, maar jonger dan 80 jaar met ernstig kraakbeenlijden, kunnen vaak goed geholpen worden met mesenchymale stamcelbehandeling. Dit is een nanofatbehandeling waarbij stamcellen worden gebruikt in plaats van PRP uit buikvet.
Wat is de literatuur over alternatieven voor cortisone bij pijn?
We verwijzen hiervoor graag door naar deze slides.
Dr. Chris Van der Linden: Optimale hersenfunctie als graadmeter voor algemene gezondheid
Wat is de invloed van ontwikkelingstrauma op het ontstaan van neuro-inflammatie?
Een ernstig jeugdtrauma leidt ertoe dat het brein zich in een continue staat van verhoogde paraatheid bevindt, gekenmerkt door chronische stress en vaak ook angstklachten. Deze aanhoudende stressreactie veroorzaakt een uitputting van de bijnierfunctie, wat op zijn beurt leidt tot verstoringen in de regulatie van het immuunsysteem. Het gevolg is een toestand van low-grade inflammatie, die – indien aanhoudend – kan evolueren naar ernstigere immuunontregelingen, waaronder het ontstaan van auto-immuunaandoeningen.
Wat is er geweten over de link van mondhygiëne/mondflora met micro-inflammatie en oxidatieve stress?
Slechte mondhygiëne leidt tot een opstapeling van pathogene bacteriën in de mondflora. Deze bacteriën kunnen via inslikken in de darm terechtkomen en daar het darmmicrobioom negatief beïnvloeden.
De verstoring van het microbioom kan bijdragen aan het ontstaan van een leaky gut, waarbij de intestinale barrière doorlaatbaar wordt voor toxische stoffen. Deze stoffen activeren het immuunsysteem en veroorzaken low-grade inflammatie, gepaard met de productie van vrije radicalen en bijgevolg oxidatieve stress.
Toelichting van wat de invloed is van vroegkinderlijk trauma en overgeleverde familie-patronen op het ontstaan van chronische klachten?
Ernstig jeugdtrauma, zoals fysiek en/of seksueel misbruik, heeft een negatieve impact op de ontwikkeling van de hersenen. Dit leidt tot blijvende functionele afwijkingen die aantoonbaar zijn via PET-scan-onderzoek.
Op volwassen leeftijd bevindt het brein zich vaak in een continue staat van verhoogde activatie, wat zich uit in chronische stress, angstklachten en vaak ook chronische pijnklachten. De behandeling is vaak moeizaam, aangezien de afwijkende hersenontwikkeling reeds in de kindertijd is ontstaan en structureel is verankerd.
Een duurzame aanpak vereist langdurige stressregulatie en intensieve psychologische begeleiding.
Er gaan stemmen op om cholesterolverlagende behandelingen minder agressief toe te passen, mede in het licht van een vermeend verband met neurocognitieve aandoeningen zoals bijvoorbeeld dementie.
Er bestaan geen harde wetenschappelijke bewijzen dat statines het risico op de ziekte van Alzheimer verhogen. Sommige patiënten rapporteren geheugenklachten tijdens het gebruik van statines, maar deze klachten zijn reversibel en verdwijnen doorgaans bij het staken van de medicatie.
Is laaggradige inflammatie uit te sluiten bij normaalwaarden van inflammatoire parameters in bloedanalyse?
Als alle parameters binnen de normale grenzen vallen is het onwaarschijnlijk dat er sprake is van laaggradige ontsteking.